Wereldoriëntatie

Voor de lessen aardrijkskunde, geschiedenis, techniek en natuuronderwijs hebben wij geen standaard methodes. We werken op basis van acht intelligenties bij leerlingen. We hebben het over de volgende intelligenties:

1. De verbaal-linguïstische intelligentie
Kinderen die deze intelligentie sterk ontwikkeld hebben houden van lezen, schrijven, luisteren en spreken. Ze kunnen goed onder woorden brengen wat ze bedoelen, ze hebben een rijke woordenschat en spelling gaat ze gemakkelijk af. Ze houden van discussiëren, woordspelletjes spelen en andere talige activiteiten. Taal is hun communicatiemiddel.

2. De logisch-mathematische intelligentie
Deze intelligentie wordt gebruikt als het gaat om hoeveelheden en het zoeken naar logische verbanden. Kinderen kunnen ervan genieten om sommen en wiskundige vraagstukken op te lossen. Het zijn kinderen die abstract kunnen ordenen en redeneren. Ze maken graag gebruik van schema's en symbolen.

3. De visueel-ruimtelijke intelligentie
Als deze intelligentie sterk ontwikkeld is, is dit te herkennen aan het denken in beelden, het onthouden door het gezien te hebben. Bij deze kinderen helpt het als de leerkracht het voordoet, plaatjes of videobeelden laat zien. Het zijn kinderen die graag en veel tekenen, gevoelig zijn voor kleurcombinaties, goed kaart kunnen lezen, perspectief kunnen zien en die kiezen voor een goede lay-out. Maar het zijn ook met een levendige fantasie. Ze zien iets zo sterk voor zich, dat ze het ook zelf beleven op dat moment.

4. De lichamelijk-kinesthetische intelligentie
Deze kinderen leren door doen, gebruiken gebaren en bewegingen, hebben ook de behoefte om dingen uit te proberen, aan te raken. Dit uit zich bijvoorbeeld in toneelspelen, acteren, mime, sport, dansen en knutselen.

5. De muzikaal-ritmische intelligentie
Kinderen met een sterke muzikaal-ritmische intelligentie geniet van muziek en ritmiek. Ze horen de structuur, voelen het ritme. Muziek kan hen helpen teksten beter te onthouden. Muzikale ezelsbruggetjes, rijmpjes of ondersteuning door bijvoorbeeld klappen, helpen hen te leren.

6. De naturalistisch-ecologische intelligentie
Dit zijn kinderen die direct gemotiveerd zijn als het gaat om planten, dieren, het milieu en de natuur. Ze verzamelen stenen, schelpen en maken een herfsttafel. Ze verzorgen dieren, letten op het weer en de wisselingen van de seizoenen. Het zijn kinderen met oog voor details, ze kunnen goed observeren en rubriceren.

7. De interpersoonlijke intelligentie
Empathisch vermogen; het inleven in de belevingswereld van de ander. Het kind met een sterke interpersoonlijke intelligentie leeft met de ander mee, wil graag samen opdrachten uitvoeren, is zorgzaam en is gevoelig voor stemmingen. Het is een kind dat contact zoekt en bemiddelt bij conflicten. Dit kind leert door feedback.

8. De intra persoonlijke intelligentie
De denker, de filosoof. Nadenken over jezelf, over meningen en opvattingen. Bevragen en willen verhelderen. Vaak zaken op jezelf betrekken en daardoor in kunnen voelen wat de ander doormaakt. Het kind met een sterke intra persoonlijke intelligentie houdt van stilte en alleen zijn. Dit kind vraagt meer denktijd omdat het veel te overdenken heeft. Hij of zij accepteert niet zomaar een standpunt, maar wil het eerst van alle kanten kritisch bekijken.

Vier Keer Wijzer

Op basis van de intelligenties bij de kinderen doorlopen we de leerstof in VIER stappen, het Vier Keer Wijzer model.

Stap 1. De V van Vragen
Per thema dat we behandelen is er een doelenwijzer. De omschreven doelen worden omgezet naar vragen. Samen met de kinderen bespreken we welke vragen in ieder geval goed beantwoord moeten kunnen worden aan het eind van het thema. Meestal zijn dat vier vragen.
Deze vragen hangen in de klas of staan op het vragenbord. Welke activiteit kinderen ook kiezen, aan het eind van de themaperiode moet iedereen die Vragen kunnen beantwoorden.

Stap 2. De I van Ik en de I van Inbreng
Er zijn kinderen die het thema heel interessant vinden. Zij vinden dan ook snel antwoord op de gestelde vragen. Er zijn ook kinderen die die een thema minder interessant vinden. Om deze kinderen toch te betrekken bij het thema, inventariseren we wat de kinderen al weten. Dat kan door gebruik te maken van woordvelden of woordspinnen. Ook mogen kinderen hun eigen vragen stellen. Wat wil jij nog graag te weten willen komen over dit thema? Al deze vragen worden verzameld en krijgen een plekje op het vragenbord of worden opgehangen bij de doelenkaarten.

Stap 3. Experimenteren en Ervaren
Ieder kind krijgt gelegenheid om zich te gaan verdiepen in het onderwerp. Dat doen ze door een opdrachtkaart te kiezen. Deze kaarten zijn gemaakt op basis van de 8 intelligenties. Tijdens het werken aan de kaart(en) stuurt, coacht en steunt de leerkracht de kinderen. De leerkracht kan er ook voor kiezen om bepaalde kinderen juist los te laten. Het uiteindelijke doel van dit proces is dat alle kinderen uiteindelijk de vragen kunnen beantwoorden. Soms stelt een leerkracht een bepaalde kaart verplicht voor alle kinderen. Dir doet hij of zij om ervoor te zorgen dat de kinderen dan gestelde vragen/doelen makkelijker kunnen beantwoorden/behalen. Het kan ook zijn dat sommige kinderen nog extra instructie krijgen.

Stap 4. Resultaat en Reflectie
Aan het eind van een behandeld thema moeten de kinderen presenteren wat ze gemaakt of geleerd hebben. Aan dat presenteren worden ook weer eisen gesteld. Kinderen moeten trots zijn op en tevreden zijn over hun presentatie. Er wordt dus Resultaat van hen verwacht. Tijdens het presenteren laten de kinderen zien dat ze de antwoorden op de gestelde vragen gevonden hebben. 

Tenslotte gaan we met de kinderen reflecteren. Wat ging er goed en wat zou je de volgende keer anders doen en waarom?
We gebruiken verschillende WIJZERS, die ons helpen om dit onderwijs goed vorm te geven.